Translate

Elke Innovatie is een dwaling.


Fataawaa van Shaikh Al-Albaanee

Elke Innovatie is een verkeerde leidraad (leidt tot dwaling)

Eén ding waar de Moslim geleerden helemaal niet over verschillen is het feit dat de Islaam is gebaseerd op twee prachtige en grote fundamentele grondbeginselen. Inderdaad zijn zij 1) alleen Allaah aanbidden zonder anderen en 2) het volgen en het voorbeeld nemen van alleen de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, zonder anderen.

Wat ik hier echter wil bespreken heeft betrekking op het grondbeginsel dat verklaard: Een Moslim’s Eeman (geloof) wordt niet compleet totdat hij gelooft dat Mohammed, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, de Boodschapper van Allaah is. En dat als enig persoon op de aarde zou getuigen van Allaah’s Eenheid volgens de drie categorieën (van Tawheed), hij geen gelovige zou zijn totdat hij daar aan zou toevoegen dat hij gelooft dat Mohammed, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, Zijn slaaf en boodschapper is. Als het dus zo is, dan is het vereist voor elke Moslim om de betekenis te leren van deze mooie verklaring (van de Tawheed):


‘Weet dan dat er geen god is dan Allaah..’ [Surah Mohammed: 19]
en om de ware zin te erkennen van de betekenis ervan in twee delen. Ten eerste, er in geloven en ten tweede, het in werkelijkheid (om)zetten in zichzelf, zijn aanbidding en zijn geloof in Allaah.

Eveneens is het een verplichting voor elke Moslim om de betekenis te weten van ‘En ik getuig dat Mohammed Zijn slaaf en boodschapper is.’ Deze getuigenis (het getuigen dan Mohammed, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, Allaah’s slaaf en boodschapper is) completeert de eerste getuigenis (het getuigen dat er geen godheid is die het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah). Hierdoor wordt dus de getuigenis (van Geloof) dus niet compleet behalve als de Moslim gelooft in deze tweede getuigenis –het ten eerste begrijpen, erin geloven en het accepteren en het dan toepassen in de zaken (kwesties) van zijn leven. Dus onze woorden: ‘En ik getuig dat Mohammed Zijn slaaf en boodschapper is’ vereisen, te midden van andere dingen, dat weg geloven dat Mohammed, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, de boodschap heeft medegedeeld en dat hij zijn taak heeft uitgevoerd in de meest complete en perfecte vorm, zo (compleet en perfect) dat niemand na hem, hoe hoog of verheven hij ook mag zijn, een gedeelte ervan kan corrigeren of verbeteren. Onze Heer, moge Hij Verheerlijkt en Verheven zijn, geeft dit feit aan in zijn woorden:

‘Heden heb ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de Islaam [de overgave aan Allaah] als godsdienst voor jullie goedgevonden.’ [Surat-ul-Maa’idah: 3]

Dit is waarom er authentiek is overgeleverd over de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, van verschillende paden van overlevering dat hij heeft gezegd: ‘Ik heb niets achtergelaten wat jullie dichter bij Allaah zal brengen en zal verwijderen van het Hellevuur, behalve dat ik het jullie heb bevolen. En ik niets achtergelaten dat jullie dichter bij het Hellevuur zal brengen en zal verwijderen van Allaah, behalve dat wat ik jullie heb verboden.’
Dus er is geen enkele ruimte overgebleven om er iets van te verbeteren, of het nu gaat om een simpele of een onbeduidende zaak die verbeterd wordt.

Dit is waarom er is overgeleverd over de Imaam van Daar-ul-Hijrah (Madeenah), Imaam Maalik Ibn Anas, moge Allaah genade met hem hebben, dat hij heeft gezegd: ‘Wie dan ook maar een innovatie introduceert in de Islaam, welke hij juist acht, deze (persoon) heeft beweerd dat Mohammed, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, het vertrouwen van het mededelen van de Boodschap heeft verraden. Lees de woorden van Allaah, de Machtige en Majestueuze: ‘Heden heb ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de Islaam [de overgave aan Allaah] als godsdienst voor jullie goedgevonden.’ [Surat-ul-Maa’idah: 3].
Dus wat geen deel van de Godsdienst was op die dag, is geen deel van de Godsdienst vandaag de dag. En het laatste gedeelte van deze ummah (natie) zal niet verbeteren/herstellen, behalve door datgene welke het eerste gedeelte verbeterd/hersteld.’

Dit was van het begrip van Imaam Maalik, de Imaam van Daar-ul-Hijrah, zo dat hij duidelijk verklaarde in een heldere Arabische taal dat wie dan ook een innovatie introduceert in de Islaam en dan beweert dat het iets goeds is, hij in feite heeft beweerd dat Mohammd, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, de Boodschap heeft verraden. En wie dan ook deze bewering maakt, hij gelooft niet oprecht dat ‘Mohammed Zijn slaaf en boodschapper is.’ Zo als erg duidelijk is in de woorden van deze nobele Imaan, is het (de innovatie) ‘geen deel van de Godsdienst vandaag de dag.’

Dus het is aan de Moslim om zijn Ittibaa’ zo uit te voeren dat hij getrouw kan zijn aan (zijn verklaring dat) Mohammed, de Boodschapper van Allaah, Zijn slaaf en Boodschapper is. En dat hij, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, de complete en zuivere boodschap heeft gebracht zonder er iets aan toe te voegen of iets van af te halen. Als dit het geval is, dan moet elke Moslim zijn omvang??? erkennen en daar stoppen waar zijn Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, grenzen voor hem heeft geplaatst, zoals de daden van aanbidding en de daden van gehoorzaamheid (aan Allaah). Dit is omdat de pen is gedroogd na wat voorafgaand is geopenbaard (er is dus geen openbaring meer gekomen na Mohammed, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam). En er was geen ruimte over om een daad van aanbidding goed te keuren die niet bestond in de voorafgaande dagen (de dagen van de Profeet). Daaruit volgend zijn onze vrome voorgangers (Salaf As-Saalih) gekomen en heengegaan terwijl zij allen de mate/omvang van de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, erkende in het feit dat hij eerst zijn missie had volbracht en de Boodschap heeft overgebracht. En ten tweede dat hij de beste aanbidder was onder Allaah’s aanbidders en dat hij Allaah het meest vreesde. Er is dus geen ruimte om hem te corrigeren:

1. Vanuit het standpunt van wetten maken (geopenbaarde zaken) in de Godsdienst, waar de ayaah van Imaam Maalik al over sprak.
2. Beweren dat er iemand is die een betere aanbidder is en Allaah meer aanbidt dan Allaah’s Boodschapper, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam. Dit is onmogelijk.


Dus wie deze twee feiten begrijpt, welke gerelateerd zijn aan iemands geloof dat Mohammed, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, Allaah’s slaaf en boodschapper is, zal zijn aanbidding die hij verricht voor Allaah limiteren aan alleen datgene dat is overgeleverd over de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam (in de ahadeeth). En hij zal geen ander voorbeeld of rolmodel nemen dan de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam. Noch zal hij ooit het (hiervoor genoemde) tweede punt beweren, bedoelende dat het onmogelijk is dat het opkomt in de gedachten van een gelovige dat hij onderdaniger is of Allaah meer vreest of aanbidt dan hem, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam. Dit is iets onmogelijks.

We zullen aangeven wat is gerapporteerd in de twee Saheeh verzamelingen op gezag van Anas Ibn Maalik, radyAllaahu’anhu. Een groep mensen wilden de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, een bezoek brengen. Omdat zij hem niet konden vinden, stelden zij hun vragen aan zijn vrouwen. Zij vroegen zijn vrouwen over de Profeet’s aanbidding –over zijn staan tijdens de nachtgebeden, zijn vasten gedurende de dag en over zijn relatie met zijn vrouwen. Dus zij vertelden hen wat zij wisten over zijn leidraad betreffende deze zaken –en zijn leidraad is de beste leidraad op de gehele aarde zoals is verklaard in de khutbah al-Haajah:
‘En de beste leidraad is de leidraad van Mohammed.’
De vrouwen van de Profeet vertelden deze mannen dat hij, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, vastte en zijn vasten verbrak en dat hij ’s nacht bad maar ook sliep en dat hij met vrouwen trouwde.

Anas, radyAllaahu’anhu, zei: ‘Toen zij dat hoorden van de vrouwen van de Profeet, vonden zij de aanbidding van de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, weinig. Zij dachten dat het weinig was omdat zij in hun hoofd hadden dat de Profeet de hele nacht zou bidden en dat hij altijd zou vasten en dat hij een monnik was en niet in de buurt van zijn vrouwen kwam. Zij waren dus geschokt om iets te horen dat niet in overeenstemming was met hun ideeën. Dus namen zij aan dat de reden hiervoor was dat Allaah al de zonden van de Profeet, van zowel het verleden als de toekomst, had vergeven. Dus het is alsof zij zeiden: ‘De Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, minimaliseerde zijn aanbidding alleen –zij dachten dat zijn aanbidding niet veel was- omdat Allaah hem zijn zonden had vergeven.

Er was dus geen obstakel die hem ervan weerhield om zijn aanbidding voor zijn Heer te vermeerderen. Dit was natuurlijk zonder twijfel een vergissing van hun zijde. Dit omdat zij niet wisten dat zijn aanbidding, waarvan zij dachten dat het weinig was, in feite aanbidding was die zelfs niet door de beste aanbidder onder de mensheid vervuld kon worden. Zelfs niet Dawood (as) over wie authentiek is overgeleverd in Saheeh Al-Bukhaaree dat de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, heeft gezegd:
‘Dawood was de beste aanbidder onder de mensheid.’
Deze groep mensen wisten niet dat de Profeet de beste aanbidder was onder de mensheid met deze aanbidding (van hem) en dat zelfs de beste aanbidder onder de mensheid niet in staat was om zijn aanbidding te verrichten, zoals ik heb gezegd.

En dat was van de dingen waar hij, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, over werd gevraagd wanneer enkele mensen –die zich goed bewust waren van zijn gewoontes, niet zoals die groep mensen die onwetend waren over zijn gewoontes- hem vonden en medelijden met hem, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, hadden, omdat zij hem zagen staan in het gebed totdat zijn voeten opgezwollen waren. Dus zeiden zij tegen hem:
‘O Boodschapper van Allaah! Allaah heeft jouw je zonden van het verleden en van de toekomst vergeven.’ Zij bedoelden hiermee: ‘Heb medelijden met jezelf, O Boodschapper van Allaah! Wees gemakkelijk in de aanbidding, want je voeten zijn opgezwollen.’ En zijn antwoord was: ‘Moet ik dan geen dankbare dienaar zijn?’

Dit is een weerlegging van de valse redenering die werd gegeven door die kleine groep mensen, die zeiden dat de reden voor de weinige aanbidding van de Profeet was omdat Allaah hem zijn zonden uit het verleden en de toekomst had vergeven. Zij waren zich er niet van bewust dat de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, de hele nacht bleef bidden totdat zijn voeten opgezwollen raakte. Toen tegen hem werd gezegd: ‘O Boodschapper van Allaah! Allaah heeft jouw je zonden van het verleden en van de toekomst vergeven’, antwoordde hij:
‘Moet ik dan geen dankbare dienaar zijn?’

Gebaseerd op wat zij dachten dat weinig aanbidding was van de Profeet en wat zij wisten van de zonden van het verleden en de toekomst die Allaah hem vergeven had, nam elke persoon in deze kleine groep aan dat zij verplicht waren om zich in aanbidding te buiten te gaan en dat zij moesten overtreffen wat zij hadden gehoord over de aanbidding van de Profeet m.b.t. zijn vasten, nachtgebeden en zijn relaties met (zijn) vrouwen. Dus deden zij de volgende belofte aan zichzelf: De eerste persoon zei: ‘Ik zal de hele nacht bidden niet slapen.’ De tweede zei: ‘Wat mij betreft, ik zal de gehele tijd vasten en geen dag doorbrengen zonder te vasten.’ En de derde persoon zei: ‘Ik zal niet trouwen (met vrouwen).’

Waarom? Omdat zij aannamen dat het huwelijk een afleiding was en iemand zou doen afkeren van het perfectioneren van de aanbidding voor Allaah. Maar wat zij niet wisten –en Allaah weet het het beste maar het lijkt mij dat zij nieuw bekeerden waren tot de Islaam en nog niet de Bevelen en Regels van de Islaam hadden geleerd- is dat het huwelijk zelf een aanbidding is, zoals gevonden kan worden in de bekende hadeeth, toen een groep arme mensen naar de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, kwam en zei:

‘De mensen met veel welvaart en inkomen hebben ons overtroffen –zij bidden zoals wij bidden, zij vasten zoals wij vasten, en zij maken de Hajj zoals wij de Hajj maken. En zij geven geld voor liefdadigheid, maar wij geven niets weg aan liefdadigheid! Dus de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, tegen hen: ‘Zal ik jullie niet naar iets leiden, dat als je het doet, je degenen voor jou zult overtreffen en degenen achter jou nooit in staat zullen zijn om je in te halen (qua beloning), behalve degenen die hetzelfde doen als jij?’ De vertegenwoordigers van de groep arme mensen gingen terug naar hun metgezellen onder het arme volk en gaven hen het goede nieuws dat van de Profeet kwam. Zij werden erg blij toen zij het hoorden. Echter, het duurde niet lang voordat hun vertegenwoordigers opnieuw naar Allaah’s Boodschapper gingen om hem te zeggen: ‘O Boodschapper van Allaah! Wat je ons hebt verteld is medegedeeld aan het rijke volk en zo zijn zij begonnen te doen wat wij doen.’ Allaah’s Boodschapper, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, zei:
‘Dat is het geschenk van Allaah, welke Hij geeft aan degenen die Hij behaagt.’

Dit is de overlevering van Imaam Moeslim die teruggevonden kan worden in zijn Saheeh. In een andere overlevering van de hadeeth, is gerapporteerd dat de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, tegen hen zei: ‘Waarlijk in elke tasbeehah (het zeggen van SubhaanAllaah) is er liefdadigheid voor jullie. En in elke tahmeedah (het zeggen van Alhamdulillaah) is er liefdadigheid. En in elke tahleelah (het zeggen van Bismillaah) is er liefdadigheid. Het goede gebieden is liefdadigheid en het slechte verbieden is liefdadigheid. En het verwijderen van een schadelijk obstakel van de weg is liefdadigheid.’ Toen ging de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, door met het noemen van vele nobele karaktereigenschappen. Toen zei hij aan het eind van de hadeeth: ‘En in het hebben van een relatie met je vrouw, zit ook liefdadigheid.’ Zij zeiden met verbazing: ‘O Boodschapper van Allaah, zal één van ons zijn verlangen vervullen (met zijn vrouw) en er beloond voor worden? De Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, zei: ‘Zien jullie niet dat als iemand zijn verlangen vervult op een verboden manier, dat hij een zonde begaat?’ Zij zeiden: ‘Natuurlijk, O Boodschapper van Allaah.’ Toen zei hij: ‘Dan is het eveneens zo dat als hij zijn verlangen op een rechtmatige manier vervult, hij er voor beloond wordt.’

Zij waren dus niet op de hoogte van deze hadeeth en andere hadeeths waarin een aansporing gevonden kan worden om te trouwen en vooral om kinderen te maken en voort te brengen, zoals is gerapporteerd in de authentieke hadeeth: ‘Trouw met de vruchtbare en liefdevolle vrouwen, want waarlijk ik zal wedijveren met andere naties wat betreft degene die de meeste volgers heeft op de Dag de Oordeels.’ Degene die dus trouwt en zichzelf en zijn vrouw kuis houdt, zal er voor beloond worden. Deze groep was hier onwetend over, dus was er iemand onder hen die zichzelf de belofte maakte om niet te trouwen, zeggende: ‘Wat mij betreft, ik zal niet trouwen.’ Toen is de groep weggegaan en toen de Profeet sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, thuis was, informeerden zijn vrouwen over wat zij gehoord hadden van die groep mensen en de beloftes die zij zichzelf hadden gemaakt. De Profeet sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, heeft hier toen een khuthbah over gegeven in de moskee, hij zei: ‘Wat is er mis met deze mensen die sus en zo zeggen’ (?) – hij herhaalde aan het publiek wat deze individuen, die naar zijn huis waren gekomen, hadden gezegd.
‘De laatste persoon zal niet trouwen. De tweede persoon zei dat hij elke dag zou vasten en geen dag zou overslaan. En de andere zei dat hij de hele nacht zou bidden en niet zou slapen.’

Het was echter van de etiquettes van de Profeet dat wanneer hij de mensen vermaande, berispte en onderwees hij de fouten verborg van hen die deze fouten hadden begaan of hadden gezondigd (door hun namen niet te noemen). Hij zou ze dus niet ontmaskeren, maar eerder zulke verklaringen maken zoals de verklaring hierboven: ‘Wat is er met deze mensen die sus en zo zeggen?’ Dit is omdat er geen voordeel in zit om de naam te noemen van de persoon die een fout heeft begaan, tenzij zijn fout betrekking heeft op een grote groep mensen en hij aanwezig is (voor de waarschuwing). Maar als de mensen vertrekken en hij vertrekt, is er ook geen mogelijkheid om hen te waarschuwen. In deze situatie moet iemand het dus zeggen tegen het gehele publiek. En het is niet zoals sommige denken die kennis hebben over wijsheid en vriendelijkheid als zij het goede commanderen het slechte verbieden, zij realiseren zich namelijk niet dat vriendelijkheid…….????? De verhalen van onze Salaf (voorgangers), alle lof is voor Allaah, zijn gevuld met overleveringen waarin zij getuigen van dit feit. Het is voor mij genoeg om te noemen wat de twee Shaikhs (Al-Bukhaaree en Moeslim) hebben gerapporteerd in hun Saheehs van de hadeeth van ‘Abdullaah Ibn ‘Umar die heeft gezegd:

‘Umar Ibn Al-Khattaab, radyAllaahu’anhu, was bezig met de khutbah op vrijdag –natuurlijk in de moskee van de Profeet- toen een man van de Metgezellen van de Boodschapper van Allaah de moskee binnenkwam –en in één overlevering wordt verklaard dat het ‘Uthmaan Ibn ‘Affaan was. ‘Umar stopte zijn khutbah en draaide zich om naar deze persoon die te laat was gekomen en zodoende de dhikr en de Jumu’ah khutbah had gemist. De man antwoordde door te zeggen: ‘O Gezagvoerder van de Gelovigen, ik heb niets gedaan behalve de Adhaan gehoord, wudoo gedaan en toen naar de moskee gekomen.’ Toen zei hij berispend tegen hem op een afkeurende en ondervragende manier: ‘Ook de wudoo, want ik heb de Boodschapper van Allaah, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, horen zeggen: Wie dan ook de Jumu’ah gaat bidden, hij moet een ghusl (bad) nemen.’

Het punt wat we uit deze overlevering kunnen afleiden is dat hij, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, ‘Uthmaan Ibn ‘Affaan publiekelijk berispte voor een grote groep getuigen omdat hij te laat was gekomen voor de Jumu’ah khutbah en het gebed. Daarom: Het (grond)beginsel van het onderwijzen en herinneren van iemand is gebaseerd op de basis van: Het verbergen van de fouten van de mensen, tenzij er een voordeel is dat vereist dat het publiekelijk gedaan moet worden. Dit is het beginsel dat de Boodschapper van Allaah heeft uitgevoerd toen hij de khutbah gaf betreffende de groep mensen die naar zijn huis was gekomen. Hij zei namelijk: ‘Wat is er mis met deze mensen die sus en zo zeggen’
en gaf zo een indicatie aan, maar noemde geen namen.

Het punt is dat de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, zei:
‘Wat mij betreft…’, wat een een weerlegging is van de kern van wat was verklaard door díe mensen die beweerden dat de aanbidding van de Profeet weinig was omdat Allaah hem zijn zonden van het verleden en van de toekomst had vergeven. Dus de Profeet zei: ‘Wat mij betreft, ik vrees Allaah het meest onder jullie, en ben onder jullie het meest onderdanig tegenover Allaah. Wat mij betreft, ik vast en ik vast niet’ –bedoelende dat hij niet altijd vastte. ‘En ik bid ’s nachts, maar slaap ook’bedoelende dat hij niet de hele nacht opbleef, zoals gedaan wordt door de extremen onder de aanbidders die de aanbidding van de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, proberen te overtreffen. Dit is waarom ‘Aa’isha zei, zoals is gerapporteerd in Saheeh Moeslim:
‘De Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, bracht nooit de hele nacht aanbiddend door.’

Dus de Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, zei, ons eraan herinnerend dat de Godsdienst gematigd is en dat de aanbidding gematigd is –noch overdreven noch nalatend: ‘‘Wat mij betreft, ik vrees Allaah het meest onder jullie, en ben onder jullie het meest onderdanig tegenover Allaah. Wat mij betreft, ik vast en ik vast niet. En ik bid ’s nachts, maar slaap ook. En ik trouw met vrouwen. Dus wie zich dan ook afkeert van mijn Soennah, behoort niet tot mij.’

De Profeet’s Soennah, zoals deze tot ons is gekomen vanuit Islaam, is datgene waar alle Moslims verplicht zijn om trouw aan te blijven. En ik garandeer dat als Dawood, die de beste aanbidder was onder de mensheid volgens de getuigenis van de Boodschapper van Allaah, gekomen was nadat de Profeet gestuurd was met deze complete en perfecte Islaam, hij niet in staat zou zijn om de daden van aanbidding van de Profeet te evenaren. Dit houdt in dat alle daden van aanbidding van de Boodschapper van Allaah gebracht zijn door zijn woorden (toespraken), zijn daden of zijn stille goedkeuring. Hierdoor is er geen ruimte over voor welke Moslim dan ook om een daad van aanbidding toe te voegen nadat Allaah Zijn Godsdienst heeft gecompleteerd door het sturen van Zijn Profeet met deze perfecte Islaam.

Nadat we ons dus realiseren dat de Profeet de beste aanbidder is onder de mensheid en de meest onderdanige en Godvrezende onder hen, moet er niets anders zijn dan het volgen van de Boodschapper van Allaah, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam. We zijn er zeker van dat we nooit in staat zullen zijn om de aanbidding van de Boodschapper van Allaah te evenaren, behalve zo nu en dan of sommige periodes in de tijd. Dus we zijn compleet niet in staat om de Boodschapper van Allaah te volgen en in zijn voetstappen te treden wat betreft zijn aanbidding. Dit is onmogelijk –met respect voor elke individu onder de mensheid na de Profeet.

Daarom blijft er niets voor ons over behalve dat we ons inspannen voor twee dingen:


1. De Soennah van de Boodschapper van Allaah leren in alle zaken die tot ons zijn gekomen vanuit de Islaam –of dit nou is m.b.t. Geloofsbelijdenis of in aanbidding of in karaktereigenschappen en manieren. En zoals ik al eerder heb gezegd, zullen wij nooit in staat zijn om meer te doen dan hem na te bootsen, zoals is gezegd:

‘Dus boots hen na als je niet bent zoals zij,
Waarlijk, de rechtschapen nabootsen is succes.’


Wij moeten onder de mensheid niemand anders nabootsen behalve hem, omdat hij de meest perfecte van de mensen is volgens eenstemmige overeenkomst. En iedereen die hem nabootst nadat hij er niet meer is, zal overweldigd worden door zijn oceaan aan aanbidding.

2. Dit is het eerste punt –dat we de Soennah van de Boodschapper van Allaah moeten kennen volgens de brede en uitgebreide betekenis. Dit omdat de Profeet’s woorden m.b.t. die groep mensen:
‘Dus wie zich dan ook afkeert van mijn Soennah, behoort niet tot mij’
niet verwijst naar het verlaten van de voorgeschreven soennah daden, bijvoorbeeld dat deze persoon niet tot de Profeet behoort. Dit is niet wat wordt bedoeld met deze hadeeth. De betekenis van deze hadeeth is eerder: ‘Wie zich dan ook afkeert van mijn Soennah’ bedoelende van mijn Weg en van mijn Methodologie m.b.t. alle zaken van mijn religieuze leven. Dit is de persoon die niet tot hem behoort. En deze persoon verschilt m.b.t. zijn verwijdering van het volgen van de Profeet.

Dus de Soennah heeft twee betekenissen:

1. Een religieuze Arabische op taal gebaseerde betekenis, en dit is datgene waar de Boodschapper van Allaah, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, en degene die zijn weg volgden voor stonden (zich aan vasthielden).

2. Datgene wat is verschenen in de gewoonte van de Fuqahaa in het verdelen van de aanbidding in twee types: Fard (Verplichting) en Soennah (Aanbevolen). De Soennah is hier volgens hun definitie: ‘Dat degene wat als iemand het doet er voor beloond zal worden en degene die het achterwege laat er niet voor gestraft zal worden.’

Wat betreft de persoon die de Soennah van de Boodschapper achterwege laat, in de eerste betekenis –zijn manier en methodologie- deze persoon is misleid (op de verkeerde leidraad). En zijn dwaling kan of groot of klein zijn, dit hangt af van het feit of hij de Boodschapper van Allaah, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, nauw volgt of hier juist ver verwijderd is. Gebaseerd hierop, zouden wij er geen behoefte aan moeten hebben om iets aan de Islaam te verbeteren en een ‘goede innovatie’ (bid’ah hasanah) te introduceren in de Islaam, en beweren dat er niets mis is met deze innovatie. Dit omdat we tekort zouden schieten en niet in staat zouden zijn om de nobele Profeet, sallAllaahu ‘aleyhi wa sallam, in alles te volgen wat aan ons is overgeleverd m.b.t. zijn aanbidding, gerelateerd aan smeekbedes, het gedenken (van Allaah) of de gebeden. Het is dus genoeg voor ons om hem alleen te volgen, aan de hand van onze bekwaamheden. Hier zou ik graag een verhaal willen vertellen dat is gerapporteerd door Al-Bukhaaree in zijn Saheeh, zodat jullie je het nut van de volgende woorden van Allaah realiseren:
‘Heden heb ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de Islaam [de overgave aan Allaah] als godsdienst voor jullie goedgevonden.’ [Surat-ul-Maa’idah: 3]

Al-Bukhaaree heeft overgeleverd dat één van de Joodse Rabbijen naar ‘Umar Ibn Al-Khattaab ging gedurende de tijd van zijn Khilaafah en tegen hem zei: ‘O Gezagvoerder van de Gelovigen! Er is een ayah in het Boek van Allaah welke als deze aan ons –een verzameling van Joden- geopenbaard was, wij de dag waarop het geopenbaard was als een dag van ‘Eid (vakantie) hadden gemaakt. Dus vroeg hij: ‘Welke ayah is het?’ Toen noemde de rabbijn de ayah: ‘Heden heb ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de Islaam [de overgave aan Allaah] als godsdienst voor jullie goedgevonden.’ [Surat-ul-Maa’idah: 3].
Toen zei ‘Umar: ‘Deze ayah is inderdaad geopenbaard op een dag van Eid, op de dag van de Jumu’ah terwijl de Boodschapper van Allaah in ‘Arafaat was (tijdens zijn afscheidsbedevaart). Deze ayah was dus inderdaad neergezonden op een erg grote dag in welke een combinatie is van twee deugdzaamheden en twee ‘Eids –de ‘Eid van Jumu’ah en de ‘Eid van ‘Arafaat.’

Waarom zei deze Jood: ‘Als het aan ons geopenbaard was, zouden wij de dag waarop het geopenbaard was als een dag van ‘Eid maken?’ Dit is omdat hij zich bewust was van de grootte van de zegening ervan, welke Allaah heeft geschonken aan Zijn dienaren. Maar hoe zit het met ons Moslims vandaag de dag? Helaas geven wij deze grote zegening niet de waarde die het verdient. Daarom vind je in het verleden – in voorgaande generaties- veel mensen die de Moslims hebben gevuld met gebeden, woorden van gedenking en smeekbedes waar de Profeet niet mee is gekomen. Wat van de Profeet tot ons is gekomen is waarlijk voldoende en adequaat, in feite is het zelfs meer dan onze menselijke bekwaamheden kunnen begrijpen. Ieder van ons neemt echter van deze aanbidding waar hij toe in staat is en wat in overeenstemming is met zijn bekwaamheden en vermogen.
[Al-Asaalah, Uitgifte #21]

1 reacties:

Soufiane Jihad zei

ALhamdoulillah

Een reactie plaatsen

Live duroos